Veroorzaker
Peronospora destructor
Verspreiding
De ziekte komt wereldwijd voor in gematigde en koele teeltregio’s.
Symptomen
Gewoonlijk is het eerste symptoom dat wordt waargenomen de bruinpaarse, fluwelige sporulatie van de ziekteverwekker op gezonde groene bladeren. Naarmate de ziekte voortschrijdt, worden laesies die iets lichter zijn dan de normale bladkleur, groter; deze kunnen het blad omringen. Deze laesies verkleuren verder naar vaalgeel, gevolgd door bruine necrose die tot het inzakken van het bladweefsel leidt. Geïnfecteerde zaadstengels blijven vaak vaalgeel en vaak dringen er, net als bij het blad, andere schimmels binnen, gewoonlijk Stemphylium- of Alternaria-soorten. Veldinfecties beginnen gewoonlijk op kleine stukken en verspreiden zich snel verder door het veld. Bollen kunnen geïnfecteerd worden en rotten tijdens opslag, of vaalgroen blad voortbrengen wanneer ze geplant worden.
Pale yellow lesions on scapes.
Brownish-purple sporulation on healthy green leaves.
Voorwaarden voor ziekteontwikkeling
De schimmel overleeft in spontaan opgekomen uienplanten, plantuien, plantenresten of in de bodem. De schimmelsporen worden naar planten verspreid door de wind en spattende regen tijdens koel vochtig weer, wat essentieel is voor de ziekteontwikkeling. Regen, dauw of hoge vochtigheid (>95%) is vereist voor het kiemen van schimmelsporen en de infectie. De schimmel groeit inwendig en blijft sporen produceren zolang het weer koel en vochtig blijft.
Bestrijding
Een regelmatig fungicide bespuitingsprogramma op basis van de klimaatomstandigheden kan gewasverliezen beperken. Vermijd het planten van plantuien die besmet zijn met de schimmel. Verwijder plantenresten en afvalhopen. Plant de rijen zo dat ze op de overheersende windrichting georiënteerd zijn en gebruik voren- in plaats van sprinklerirrigatie. Drie- tot vierjarige wisselteelt met andere gewassen dan uien in gebieden waar de ziekte aanwezig is, kan de verliezen beperken.